4 vragen aan Bo Tarenskeen en Jaïr Stranders, initiatiefnemers van Theater Na de Dam

Hoe kwamen jullie op het idee om iets met theater te organiseren aansluitend aan zoiets zwaars als de Dodenherdenking?

Jaïr: Ik ben in 2002 afgestudeerd met een voorstelling die te maken had met de Tweede Wereldoorlog. Op aanraden van Loek Zonneveld, mijn docent toentertijd, speelden we die voorstelling op 4 mei. Omdat dat zo ontzettend aansloeg zijn we doorgegaan met het voorlezen van toepasselijke toneelteksten op 4 mei, en al vrij snel haakte Bo ook aan bij die lezingen.

Toen in 2009 deze lezingen voor ons al helemaal een traditie waren, werden we uitgenodigd bij een brainstorm voor nieuw beleid voor het Amsterdams 4 en 5 mei Comité. Daar constateerden wij dat die 4e mei veel te vaag is geworden en veel meer inhoud en historisch kader moet krijgen. Wij vroegen ons af of het niet mogelijk was om op meerdere plaatsen in Nederland zoiets te doen als wij al jaren deden: iets met theater dat duidelijk verbonden is aan de Tweede Wereldoorlog.
Bo: Wij hebben gekeken naar wat er bij de verschillende gezelschappen al aan repertoire op de planken ligt en hoe we daar op door konden werken. Zo kenden we allebei wel wat mensen in het theater en hebben we ons netwerk opgetrommeld. Toen lukte het om in het eerste jaar 7 voorstellingen te programmeren.

Theater Na de Dam is inmiddels een landelijke gebeurtenis. Hoe krijgen jullie met zo’n kleine organisatie zo veel deelnemende theaters en gezelschappen bij elkaar?

Bo: Daar zijn we zelf ook positief verrast over, dat het zo ontzettend aansloeg bij theatermakers, theaterhuizen en publiek. Dat er al heel snel mensen naar ons toe kwamen met de vraag of ze mee mochten doen. In het tweede jaar bijvoorbeeld meldde Carré zich al en in het derde jaar de Stadsschouwburg Amsterdam. Het initiatief zette blijkbaar iets in werking.

Jaïr: Theater Na de Dam vond eerst alleen in Amsterdam plaats en we hadden ook helemaal niet de ambitie om het landelijk te laten worden. Waarom het zo goed aanslaat is denk ik omdat we hele heldere uitgangspunten hebben. De inhoud van de voorstellingen klopt bij de avond en het heeft heel erg geholpen dat Bo en ik allebei in de theaterwereld zitten.

Bo: En omdat we allebei een filosofische achtergrond hebben en historisch bewustzijn belangrijk vinden. En ja, ook omdat we een persoonlijke band hebben met de oorlog via onze families.

Jaïr: Bo heeft een Indische achtergrond en ik heb een Joodse achtergrond. Twee groepen die door de oorlog per definitie getekend zijn. Dat willen we helemaal niet uitdragen in wat we doen, maar daardoor begrijpen we goed waar we het over hebben en zeker ook de gevoeligheden.

Als jullie nu terugkijken op de afgelopen vijf jaar, wat waren dan de hoogtepunten?

Bo: Dat het in ons eerste jaar al lukte Bezonken Rood te programmeren, een voorstelling die in de hele wereld te zien was. Alles en iedereen stond in Frascati 1 gepropt, net zoals het gigantische decor.
Jaïr: Nog een hoogtepunt is dat vorig jaar Soldaat van Oranje samen met de Veenfabriek in de Leidse Schouwburg stond in een double bill. Met een amateurorkest erbij werd het een hele speciale avond. Normaal gesproken maakt de Veenfabriek vrij experimenteel muziektheater en Soldaat van Oranje is een musical. En dan dat samen, speciaal voor Theater Na de Dam, dat vind ik heel mooi.

Bo: Dit jaar is het toch wel een hoogtepunt dat het gelukt is om Wende en Typhoon samen in Carré te krijgen, met Adriaan van Dis. En dat zoveel verschillende stadsgezelschappen gelijktijdig dezelfde tekst presenteren aan het publiek, namelijk die van Rik van den Bos.

Jaïr: Ik heb nog drie hoogtepunten. Een daarvan is de eerste keer dat we ons nachtprogramma deden, Nacht Na de Dam in 2012. Die eerste keer was meteen zo prachtig. Huub van der Lubbe, Wende en Hadewych zongen, Gijs Scholten van Asschat las gedichten voor. Het was ongelooflijk dat al deze mensen naar de Schouwburg kwamen en voor niets mee wilden doen.

Andere hoogtepunten zijn voor mij nog steeds de jaarlijkse jongerenprojecten. Ouderen vertellen daar hun verhalen aan jongeren, die vervolgens worden ingezet in de voorstellingen die ze maken op locatie. Dat waren mijn hoogtepunten eigenlijk wel. Oh nee, ik heb er nog een.

Bo: Als je te veel hoogtepunten hebt, zijn het geen hoogtepunten meer.

Jaïr: Bo en ik zijn een aantal jaar geleden naar Auschwitz geweest, met een klas van de ATKA die een voorstelling voor Carré ging maken. Ik vind het heel bijzonder dat wij hier vanuit onze betrokkenheid bij Theater Na de Dam naartoe zijn geweest.

Wat willen jullie in de toekomst nog bereiken?

Bo: Ik droom er al heel lang van, maar dat is meer een prestige ding, om Christoph Marthaler hier naartoe te halen op 4 mei. Een Zwitserse regisseur, die een paar hele mooie voorstellingen over de oorlog heeft gemaakt en nog redelijk onbekend is bij het grote publiek. Theater Na de Dam zou ik een hele mooie gelegenheid vinden om zijn werk onder landelijke aandacht te brengen.

Maar we hopen allebei vooral dat er in de toekomst in elk theater wel iets gebeurt op 4 mei. Dat je in heel Nederland, van dorpen in de Achterhoek tot aan Groningen of Rotterdam, op die avond voorstellingen kan zien over de Tweede Wereldoorlog. We hopen bovendien dat wij uiteindelijk niet meer nodig zijn. Dat theaters vanzelfsprekend tegen elkaar zeggen: wat gaan we doen op 4 mei om 21.00? Gaan we nog iets maken?

Jaïr: Er is ook een reden dat theaters in deze tijd graag meedoen, namelijk omdat het voor theaters een zoektocht is een vanzelfsprekende plek in de samenleving in te nemen. Theater Na de Dam is daarvoor een hele goede manier, omdat theaters zich verbinden met een nationaal moment. Dat is wat je hoopt, dat samenleving en theater een hele duidelijke connectie hebben.

Bo: Kunstenaars en samenleving vallen hier eigenlijk samen. Mensen gaan niet alleen naar voorstellingen, ze doen mee aan een ritueel.